Geschiedenis van katoen
Katoen was in Midden-Amerika al in 5800 v.Chr. en in China en India in 3000 v.Chr. bekend.
Pas vanaf 800 n.Chr. kwamen katoenproducten door Arabische kooplieden naar Europa. Pas 600 jaar later, in de 14de eeuw, werd een grotere hoeveelheid katoen in Zuid-Duitsland verwerkt.
Daar werd in Augsburg en Ulm katoen gesponnen en vooral in linnen verweven. Reeds 100 jaar daarvoor brachten de Arabieren katoen naar Sicilië en Spanje.
Tot in de 17de eeuw leidde Augsburg de industriële massaproductie, daarna waren het de Vlaamse en Engelse katoenindustrie.
Latere uitvindingen, zoals bijv. de spinmachine in 1764 en de mechanische weefstoel in 1784, verhoogden de productiehoeveelheid aanzienlijk.
Ook in concurrentie met talrijke kunstvezels vertegenwoordigt katoen thans nog ca. 44 % van het totale textielvezelverbruik.
Sinds ca. 1969 tot op heden is de productie van ruw katoen wereldwijd bijna verdubbeld, hoewel het bouwlandoppervlak maar weinig is toegenomen. De enorme productiegroei is te danken aan een verhoogde oogstopbrengst per acre.
Nadat begin jaren 70 de polyester-stapelvezels het katoen door een prijzenslag met 34 % aandeel op de gehele vezelmarkt verdrongen, konden de katoenvezels begin jaren 90 rekenen op 50 % marktaandeel.
Door de algemene trend van natuurvezelproducten kon katoen op gebieden als kleding en huistextiel zijn marktpositie voor een deel zelfs nog verder ontwikkelen.